Ongeneeslijk Zieken

1805 – 1969: Molenaarsstraat 22 9000 Gent

Eerste stichting

Op vraag van het Gentse stads- en kerkbestuur startte kanunnik Triest hier in 1805 samen met 6 zusters een hospice of verzorgingshuis voor ongeneeslijk zieken. De allereerste zorginstelling van de Zusters van Liefde in Gent.

Ongeneeslijk zieken – vandaag spreken we van chronisch of langdurig zieken – konden tot dan in Gent nergens terecht. De Oostenrijkse vorstin Maria-Theresia (1717-1780) had in 1773 immers beslist dat het Bijloke hospitaal dergelijk patiënten niet meer mocht opnemen om het ziekenhuis vrij te houden voor acute gevallen. Het duurde dus tot 1805 vooraleer de ‘ongeneeslijken’ opnieuw behoorlijke opvang en verzorging kregen.

Op 30 juli 1805 arriveerden hier 6 Zusters van Liefde. Het bouwvallige klooster stond leeg sinds de Cisterciënzerzusters in 1796 door de Fransen waren verjaagd.  De 6 vrouwen hielden grote kuis en ontvingen kort nadien de eerste patiënten.

Site_Terhagen_1
Tekening van het Kloosterke van Liefde rond 1820 (Stadsarchief Gent)


Zorg voor chronisch zieken en bejaarden

In het hospice zorgden de zusters voor mannen en vrouwen die terminaal, chronisch ziek of zwaar behoevend waren en nergens anders terecht konden. Het gros van hen werd geplaatst door de Gentse Commissie van de Burgerlijke Godshuizen—voorloper van het OCMW – die de zusters in ruil voor hun zorg een vaste financiële vergoeding gaf.

In de 19de eeuw verbleven er ook personen met een fysieke of verstandelijke beperking omdat er in die periode nog geen specifieke voorzieningen voor hen bestonden. Dit veranderde in het laatste kwart van de 19de eeuw.

Er was ook plaats voor bejaarden die hier tegen betaling kost en inwoon kregen. Een soort rusthuis avant-la-lettre met een gescheiden mannen– en vrouwenafdeling.

Gent - Hospice - 03
Zaal voor ongeneeslijk zieke vrouwen, ca 1910.

De slaapkamer van kanunnik Triest lag dichtbij de slaapzaal van de patiënten. Tot vandaag vertellen de zusters hoe hun stichter ‘s nachts opstond om huilende patiënten te troosten. Het leverde hem de bijnaam ‘de goede mijnheer Triest’ op.

about_us_scjm
Petrus Jozef Triest (1760-1836), stichter van de Gentse Zusters van Liefde

Apotheek en opvangcentrum

Samen met het aantal zusters groeide ook het aantal patiënten snel. In 1836 verbleven er in het hospice al 95 zieke vrouwen, 37 mannen, 14 betalende ouderlingen en 3 blinden. De buurtbewoners spraken van ‘t Kloosterke van Liefde.

Vanaf 1830 voorzagen de zusters anderhalve ton bier per patiënt per jaar!

Naast de ingangspoort richtte het ‘kloosterke’ ook een apotheek in voor de armen. De behoeftige klanten moesten aan de zuster-apothekeres een bewijsje van de Burgerlijke Godshuizen afgeven in ruil voor gratis medicijnen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog vingen de zusters in totaal 1.322 vluchtelingen vanuit het hele land op.

A19-BEL-Gent, Terhagen-48c
De vrouwelijke bewoonsters hielpen regelmatig mee in de keuken.

Evolutie naar rusthuis

In 1937 bouwden de zusters op de vroegere fabrieksterreinen van de Gentse katoenfamilie De Hemptinne een nieuw hospice voor de mannen.  Dit kreeg de naam Sint-Jozef.

De vrouwen bleven hier nog een tijd in het hospice dat de naam Sint-Anna kreeg.

In 1969 verhuisden de chronische patiënten uit Sint-Jozef en Sint-Anna naar ‘Zonneweelde’, een palliatieve afdeling van de zusters in het Sint-Vincentiusziekenhuis. Daardoor evolueerde het vroegere hospice naar een bejaardentehuis. Alle bejaarden woonden vanaf dan in Sint-Jozef en Sint-Anna sloot haar deuren. Woonzorgcentrum Sint-Jozef bestaat nog steeds in de Molenaarsstraat 34.

Deze diashow vereist JavaScript.

Vandaag

Vandaag worden de gebouwen van het vroegere hospice gebruikt door het Instituut voor Verpleegkunde en het Erfgoedhuis l Zusters van Liefde JM.


— Ga verder naar Psychiatrische zorg (1808)